Tapijt Geschiedenis

 Perzische tapijten : de schittering van elke streek

 Azerbeidzjan : de droom van Euclides

 

Azerbeidzjan ligt in het noordwesten van Iran. Het is een bergachtige streek met zeer vruchtbare valleien, een ideale omgeving om schapen te kweken. Deze regio staat in de hele wereld bekend om haar sterke wol van kwaliteit. 

Een blik over de fraaie vlaktes en heuvels van Azerbeidzjan volstaat om te begrijpen waar die mooie tapijten vandaan komen.

Uitgestrekte en vruchtbare vlaktes die verloren liggen tussen de bergen, met kleine dorpen die de helft van het jaar afgesneden zijn van de rest van de wereld.

De honderden kilometers graasland tussen deze dorpen zijn natuurlijk erg bevorderlijk voor de schapenteelt.

En bij schapen hoort… wol ! Tijdens de lange barre periode valt er voor de landbouwers buiten niet veel te beginnen. Dus vervaardigen ze binnenshuis dekens, kledingstukken, enz.

Uit deze gedwongen overwintering ontstonden de mooie lokale tapijten.

Hun hoofdkenmerken : een dichte knoping, een hoge en dikke pool, een overvloed aan geometrische dessins. 

Net als in de andere regio’s van Iran zijn er twee verschillende tapijtstijlen te onderscheiden :

  • de stedelijke stijl (Tabriz, Ahar, Ardebil, Meshguin-Shahr, Sarab, Mianeh )
  • de landelijke stijl (Bilverdi, Heriz, Mehraban, Garatsh, Goravan, Bakhshayesh

Duizend jaar Tabriz 

 

Tabriz, de hoofdstad van Azerbeidzjan, ligt 1350 meter hoog en is omgeven door hoge bergen. Het klimaat is er erg streng, met warme zomers en bitterkoude winters. De schapen leveren er dus sterke wol op die tegen een stootje kan. De tapijten van Tabriz danken hun succes door de eeuwen heen trouwens aan deze legendarische stevigheid. De wol uit die streek is eerder ruw, maar de ambachtswerkers aarzelen niet om de beste wol aan te kopen uit de andere regio’s, onder meer merinoswol uit Nieuw-Zeeland.

De wol van de beste kwaliteit komt uit de regio’s : 

  • Maku en Khouy. Deze wol is meestal wit, heeft een lange, fijne en sterke vezel en is zacht, wat de tapijten een heel specifieke glans geeft.
  • Mahabad en Aromia, veelkleurige wol.
  • Maqan, de grofste wol.

De wol wordt er meestal nog met de hand gesponnen door de vrouwen. Om de tapijten te knopen, wordt het verticaal getouw met een rolboom aan weerskanten gebruikt, het zogenoemde Tabriz-getouw. Dit is ideaal voor grote afmetingen omdat het tapijt kan opgerold worden naarmate het werk vordert, zodat grotere stukken buiten de traditionele norm mogelijk zijn.

 

Het werk gebeurt overwegend thuis, maar omdat bepaalde tapijten zo groot waren, richtten ondernemers ateliers op, soms met een twintigtal ambachtswerkers.

Hier wordt de Turkse knoop toegepast, met een concentratie van 90.000 tot meer dan  1.000.000 knopen per vierkante meter.

Ketting en inslag zijn meestal van ruw katoen en voor de fijnste stukken van zijde.

De pool is van wol, of van wol en zijde of volledig van zijde.

 

Stijl en inspiratiebron

Tabriz ontstond waarschijnlijk al in de negende eeuw, en was altijd een belangrijk handelscentrum. Al vanaf de vijftiende eeuw stond Tabriz bekend om zijn tapijten en deze lange periode van welvaart leidde tot de ontwikkeling van het ambachtswerk en droeg bij tot de bloei van een hele reeks verschillende stijlen.

Daarbij eigenden de ambachtslui van Tabriz zich bepaalde motieven van tapijten uit andere regio’s toe. Zo zijn op tapijten uit Tabriz het medaillon van de kirmans, de hoekversieringen van de machads, de randmotieven van de kashans terug te vinden.

De gebruikelijke dessins van Tabriz zijn :

–       Florale composities

–       Het centrale medaillon met de vier hoekversieringen

–       De Sjah Abbas bloemen

–       Het Sjeik Safi motief, met als beroemdste voorbeeld de ardebil van het Albert en Victoria Museum in Londen.

–       De mahi-stijl (vis) is zeker de bekendste. Het centrale motief bestaat uit een ovaal of zeshoekig medaillon en het veld is bestrooid met herati-motieven.

–       De jachttaferelen met of zonder medaillon. Motieven met oude miniaturen als inspiratiebron.

–       Figuratieve motieven, historische en religieuze scènes, Europese en Oosterse landschappen, beroemde personages, enz.

–       Rijkelijke wollen en zijden tapijten met een rozige achtergrond, met of zonder medaillon.

–       Volledig zijden tapijten

–       Kopieën van doeken van Europese meesters zoals : Rubens, Rembrandt….

Het kleurfestijn van Heriz (Heris) en omstreken

 

Heriz en de omliggende dorpen zijn ver verwijderd van de grote handelscentra en er is weinig uitwisseling met de andere steden en dorpen door het gebrek aan communicatie- en verkeersmiddelen. Ze bleven dus authentiek en oorspronkelijk fris. Daarom werden de dessins en kleuren ook niet beïnvloed door beperkingen van buitenaf.

De productie van Heriz strekt zich uit van de steden Goravan, Bakhshayesh, Mehraban tot Garatsh en Sarab. Van al deze steden staat Heriz het hoogst aangeschreven omwille van de verscheidenheid in de motieven en de zachte kleuren. Een blik op heriz-tapijten uit de negentiende eeuw zegt genoeg, dit zijn kunstwerken.

Wat de oude stukken betreft, verwierf Heriz vooral bekendheid met zijn volledig zijden tapijten, die alleen enkele zeer welgestelde liefhebbers zich kunnen veroorloven.

 

Referenties en inspiratiebron

De moderne productie is grover en de kleuren zijn feller. Meestal wordt de Turkse knoop toegepast.

Ketting en inslag zijn voornamelijk van vrij dik katoen, wat het tapijt erg sterk maakt. 

De wol is ruw en dik en het aantal knopen per vierkante meter schommelt meestal tussen 6000 en 10000. Voor bepaalde oude stukken, die fijner zijn, kan de dichtheid van 100.000 tot 150.000 knopen per vierkante meter gaan. De huidige kleurstoffen zijn hoofdzakelijk chemisch, maar de plantaardige kleurstoffen zijn in opmars.

Het motief is gewoonlijk geometrisch, met verticale, horizontale en schuine lijnen. De schuine lijnen worden trapsgewijs onderbroken. Het veld bestaat vooral uit een groot middenstuk en vier hoekversieringen.

Volgens de traditie hebben de knopers van deze regio de gewoonte om het tapijt op een hogere pool te scheren dan elders gebeurt. Dit maakt de wol hoog en dik, wat aangenaam aanvoelt en streelzacht is voor de voet.

Omdat een heriz-kleed zo sterk is (in een goede wolkwaliteit), gaat het lang mee, terwijl de prijs dikwijls lager is dan voor een mechanisch tapijt.

Goravan, Bakhshayesh in een glansrol

 

Bakhshayesh is gespecialiseerd in de vervaardiging van ganglopers. Door de hoofdkleuren, – blauw, gems-rood en baksteenrood – is het tapijt van een heel aparte schoonheid.

Het dessin is ontleend aan de Heriz-stijl en bestaat meestal uit een groot floraal medaillon. 

De wol uit de streek van Bakhshayesh is erg sterk en heeft een heel aparte glans, wat in grote mate bijdroeg tot de faam van de Goravans.

Het medaillon van een Goravan is bijzonder indrukwekkend en loopt soms door tot in het midden van de boord, om het patroon in evenwicht te houden.

Het lover van Ahar

 

Ook de ambachtswerkers van Ahar en omgeving putten ruim inspiratie uit de Heriz-stijl, zonder ze echter klakkeloos na te bootsen zoals vele andere dorpen deden. Ze gebruiken donkere kleuren, de knoping is dichter en van zeer hoge kwaliteit en maakt dat de tapijten vermaard zijn om hun sterkte. De motieven zijn iets minder geometrisch en neigen meer naar een zeer gestileerde bladervorm. Het randmotief is omzeggens nergens anders te vinden en onderscheidt zich van de productie van Heriz. 

De ganglopers van Garatche

 

Garatsh is vooral bekend voor de kwaliteit van zijn zeer dicht geknoopte ganglopers. De ondergrond van de tapijten en ganglopers is meestal vuurrood en de rand donkerblauw.

Het patroon is geïnspireerd op Heriz en bestaat merendeels uit 3 geometrische vormen; in het midden staat een zeshoek met daarrond het zogenoemde motief van de “zittende hond” en met aan weerskanten een zelfde langgerekte geometrische vorm.

Op stukken van grotere afmetingen, kan dit motief zich herhalen.

Ardebil (Ardabil) : opkomst en verval

De naam Ardebil is voor eens en altijd verbonden met het beroemde tapijt uit 1539 dat het graf van sjah Isma’il, de stichter van de dynastie van de Safawiden, bedekte. Het bevindt zich momenteel in het Londense Victoria en Albert museum.

In het verleden bloeide de tapijtkunst lange tijd in Ardebil, maar nu verloor deze productie al haar waarde door het gebruik van telkens weer een zelfde motief en door het gebrek aan een eigen stijl.

De meeste motieven met een geometrische vormgeving lijken als twee druppels water op de Kaukasische. Andere motieven zijn afgekeken van de “mahi”-dessins. In de productie van begin en midden de twintigste eeuw, zijn nog enkele schaarse stukken te vinden met menselijke figuren of dieren met een bloemversiering rondom.

De veldmotieven van de Ardebils vertonen sterke gelijkenissen met de tapijten van de Kaukasus, maar de randen zijn veel complexer terwijl de kleuren lichter en feller zijn.

De grote odes van Sarab

 

De stad Sarab, tussen Tabriz en Ardebil, specialiseerde zich in tapijten van grote afmetingen, met een “mahi”-motief dat aan het Bidjar (of Bidzjar)-motief ontleend is.

Soms haalt deze productie een industriële schaal en daarom zijn er zoveel prijsverschillen in de Tabriz mahi-tapijten.

Een tapijt met een mahi-motief dat in Tabriz werd geknoopt, kan twee, drie tot vier keer duurder zijn dan een tapijt dat in Sarab werd geknoopt, omdat de kwaliteit en de knoopdichtheid verschillen en een origineel altijd meer waarde heeft.

 

Het universele Isfahan (Esfahan, Ispahan)

Isfahan : Nesf-é-Djahan (letterlijk « de halve wereld »)

 

In 1598 wordt Isfahan de hoofdstad van Perzië, onder het bewind van sjah Abbas I. Er verrijzen paleizen en moskeeën die van Isfahan de mooiste stad van de in het begin van de zeventiende eeuw bekende wereld moesten maken, vandaar de bijnaam “halve wereld”.

De tapijten van Isfahan zijn deze paleizen en moskeeën waardig. De motieven die ze sieren, zijn in grote mate geïnspireerd op de prachtige tegels die ze tooien. 

Blijkbaar viel de productie stil na de Afghaanse verovering (1722), tot in het begin van de twintigste eeuw. Pas na de eerste wereldoorlog verschijnt de nieuwe productie van Isfahan weer op de internationale markten.

 

Stijl en inspiratiebron

We hebben weinig aanwijzingen over de kwaliteit en de motieven van de oude tapijten, behalve dan dat het gebruik van zijde weinig verbreid was.

De motieven die momenteel het meest voorkomen, zijn : het centraal medaillon dat een maaswerk van takken met bloemen en bloemknoppen overheerst, met de boord als omlijsting; de Sjah Abbas-bloemen; de Mihrab-stijl; jachttaferelen, diermotieven, tuin en bos; figuratieve vlakken met dans- en feestscènes die op Perzische gedichten geïnspireerd zijn.

De meest gebruikte knoop is de Perzische of Farsi-knoop, de pool wordt zeer kort geschoren en schering en inslag zijn van katoen of zijde, het veld is van wol, wol en zijde of 100% zijde. De dichtheid varieert van 200.000 tot 1.000.000 knopen per vierkante meter.

De zeer fijne Isfahan-tapijten genieten wereldfaam, maar er is ook een vrij grote alledaagse productie met een veel geringere dichtheid, een hogere pool en minder uitgewerkte kleuren. Deze productie is natuurlijk laag geprijsd.

Isfahan-tapijten worden meestal geweven in de steden Nadjafabad, Falavarjan, Shareza, Golpayegan, Naïn, Ardestan, Natanz, Kashan en Vajansar, of dus in een straal van 150 km rond Isfahan.

Veel zeer bekende kunstenaars in Iran signeren hun werken, maar de beroemdste in het Westen blijft Serafian, wiens werken voor astronomische prijzen van de hand gaan.

Armenibaft : de culturele uitzondering

Na de islamitische revolutie bestond Isfahan uit 3 gemeenschappen die vredig met elkaar samenleefden : moslims, joden en christenen. Het is deze christelijke gemeenschap van Armeniërs, die Isfahan de andere tapijtstijl schonk, namelijk Armenibaft, te vertalen als:  geknoopt door de Armeniërs“.

In tegenstelling tot een Isfahan, wordt een Armenibaft met de Turkse knoop geknoopt, voor een dichtheid tussen 90.000 en 200.000 knopen per vierkante meter. De wol is dikker en de pool is hoger. Er zijn weinig dessins en de hoofdkleur is meestal donkerblauw.

Chahar Mahall-Bakhtiari : van nomade naar ruraal

 

De plantenwereld van Bakhtiar

De streek van Chahar Mahall ligt ten zuidwesten van Isfahan, aan de voet van de berg Zagros. De tapijten van deze regio kregen hun naam van de Bakhtiari-stam, een half nomadische stam die deze streek bewoont.

Er zijn twee afzonderlijke producties : een nomadische productie en een productie die afkomstig is van de dorpen van Chahar Mahall.

De authentiek nomadische tapijten onderscheiden zich door een dubbele, soms drievoudige inslag (van wol ), tussen twee rijen knopen. De tapijten uit de dorpen tellen dan weer slechts één inslagdraad van katoen, net als de ketting.

Op de nomadische tapijten zijn de traditionele motieven van de stam te zien, maar voor de tapijten van de dorpen worden meer klassieke decors gebruikt :

–       Het motief met centraal medaillon

–       Het tuin-tapijt : het veld, dat oorspronkelijk geïnspireerd op de Perzische tuinen, bestaat uit een dambord van kleine kaders rond onderwerpen uit het dieren- en plantenrijk (cipressen, tuinen met fontein, vogels)

–       De tapijten met bomen : het veld bestaat uit ruitvormige medaillons die met elkaar verbonden zijn en met in het midden dezelfde onderwerpen als de tuin-tapijten

–       Sommige tapijten van eind de negentiende tot begin de twintigste eeuw hebben een prachtig decor dat geïnspireerd is op de tuin van Eden. Het veld bestaat uit bloemen, levensbomen en gestileerde takken op een ondergrond in één kleur, meestal ivoor of donkerblauw.

 

De Bakhtiar-tapijten zijn makkelijk te herkennen aan hun plantkleuren : rood, okergeel, flesgroen, kastanjebruin, hemelsblauw, wit en oranje.

Een eerbetoon verdienen de ververs van deze streek, die een zelden geziene perfectie halen. Sommige maakten hun faam met één of twee tinten. Helaas verdwenen met de oude meesters ook hun geheimen, door de komst van de gebruiksvriendelijke chemische kleurstoffen. Ketting en inslag  zijn meestal van katoen, hoewel de inslag- en kettingdraden van oude stukken van wol zijn.

De knoop is van het Turkse type, met een gemiddelde dichtheid van 90.000 tot 120.000 knopen per m2.

 

Bibibaft

De ambachtswerkers van Chahar Mahall produceren een beperkt aantal Bibibaft (geknoopt door grootmoeder). Deze zijn dichter geknoopt en verzorgder, met zachtere tinten dan de traditionele, en behoren tot het hogere segment van de Bakhtiars.

 

 

Naïn : opperste raffinement

 

Naïn is gelegen in het midden van Iran, op 140 kilometer van Isfahan, aan de rand van de  « Dasht-e Kavir » zoutwoestijn en omvat 652 dorpen, waar de inwoners van de tapijtmakerij leven.

Tot in het begin van de twintigste eeuw werden vooral kostbare wollen stoffen geweven, die volledig met de hand werden vervaardigd. Maar deze industrie raakte in verval toen de weefgetouwen hun intrede deden en door de invoer van westerse stoffen.

De ambachtslieden van Naïn spitsen zich van dan af als vanzelf toe op de fabricage van tapijten, waarvoor ze inspiratie zochten bij de finesse en de sierlijkheid van de stoffen die ze voordien vervaardigden.

 

Door het grote succes van de Naïns duiken er op de markt talrijke kopieën uit Pakistan en India op. Ook in Iran worden de Naïns nagemaakt, in Kashmar, Tabas, Mashad, Neyshabur enz. met een aanzienlijk lagere wol- en knoopkwaliteit. Bepaalde winkels die wonderbare kortingen bieden of gewetenloze straatventers verkopen deze kopieën vaak voor echte Naïns.

De eerlijke handelaar zal u ook eerlijk vertellen dat het gaat om een Naïn-motief, maar dat het tapijt zelf komt uit Kashmar, Tabas, Mashad, Neyshabur, enz.

Kenmerken van een echte Naïn

Een Perzische of Farsi-knoop, met een concentratie die kan gaan van 360.000 tot meer dan  1.500.000 knopen per m2.

Inslag van ecru katoen, zeer fijne en meestal blauwe ketting, soms een zijden inslag.

Specialisten hanteren een specifieke norm voor Naïns, om de samenstelling van de inslag aan te duiden, namelijk :  nohlah (9 lah), shishlah (6 lah), tshaharlah ( 4 lah ). Deze term betekent dat een inslag bestaat uit 9, 6 of 4 katoendraden.

De pool is van wol en zijde, en voor bepaalde oude stukken helemaal van zijde. Zijde wordt vooral gebruikt om de ondergrond van de bloemen op te vullen.

Het decor is sterk geïnspireerd op de Isfahan-tapijten. Soms diermotieven met bomen en planten, die de tuin van Eden moeten verbeelden.

Of een verweving van plantaardige motieven, met of zonder centraal medaillon.

De kleuren zijn typisch en weinig talrijk : zowel voor fond als decor : beige, room, ivoor, blauw, bordeaux, rood en groen. Een rode of groene ondergrond is echter zeldzaam.

De stof om de wol te kleuren, kan plantaardig, mineraal of chemisch zijn.

 

Habibian : de grootmeester van Naïn

De ontwerper van de motieven die we momenteel kennen, is Habibian. Hij haalde zijn inspiratie bij de motieven van Isfahan en vooral bij de tegels van de moskeeën van de stad. Hij verkocht zijn eerste tapijt omstreeks 1920, voor 100 toman of 6 kilo zilver.

De handtekening van Habibian waarborgt de beste kwaliteit en het weelderigste decor. Helaas bootsen veel ambachtslui zijn handtekening na, gewoon omdat ze ook Habibian heten (tot dezelfde familie behoren of om meer winst op te strijken). De beste garantie van authenticiteit is kopen bij de kleinzoon van Habibian in hoogsteigen persoon : Mahmud Reza Habibi Naini,  die de traditie bewaart èn bewaakt.

 

Nog een belangrijk personage van Naïn is Mofidi, een soefi (mohammedaans mysticus) die zijn spirituele waarden uitdrukt in artistieke creatie.

 

 

 

Kashan : van edele afkomst

 

Kashan is gelegen aan de rand van de Dasht-e Kavir  woestijn, tussen Goum en Isfahan. Het kan er meer dan 50° warm worden, zodat geen enkele teelt er mogelijk is. Dus legden de bewoners zich toe op waar de Iraniërs goed in zijn, de vervaardiging van tapijten.

Dat Kashan wereldfaam geniet, is onder meer te danken aan de grote meesters die, door de eeuwen heen, kunstwerken creëerden met zeer verscheiden motieven en kleuren.

Tot de beroemdste Iraanse motieven behoort het Sjeik Safi dessin dat zeker werd ontworpen door een meester die afkomstig is van Kashan. Deze faam straalt af op alle tapijten van Kashan.

Omdat dit motief zo beroemd werd, namen veel ontwerpers het natuurlijk over, onder meer in Tabriz dat aanspraak maakt op het vaderschap van dit dessin.

Maar een nauwgezette analyse van het beroemde Ardebil dat momenteel tentoongesteld is in het Albert en Victoria Museum in Londen, wijst eerder in de richting van Kashan.

Dit Ardebil-tapijt draagt de handtekening van Maqsoud Kachani (Maqsoud van Kashan).

Als het tapijt van Tabriz afkomstig was, dan zou de knoop Turks zijn, terwijl het tapijt in Londen met de Perzische knoop werd geknoopt.

Bovendien viel Tabriz, nadat het tapijt in 1539 was voltooid, ten prooi aan Ottomaanse invallen. Als het tapijt dan werkelijk in Tabriz was geweest, bevond het zich logisch gezien nu in het museum van Istanbul en niet in Londen.

 

Stijl en inspiratiebron

Kashan-tapijten worden over een vrij groot grondgebied vervaardigd. Dit omvat de steden    Kashan, Natanz, Jowshegan-e-Ghali, Golpayegan, Mahallat, Ardestan en zelfs Isfahan.

De ambachtslieden van Kashan wisten zich te schikken naar de vraag van de buitenlandse markten en produceerden erg fijne tapijten. Daar slaagden ze onder meer in door de introductie van merinoswol op het einde van de negentiende eeuw.

De siermotieven lijken sterk op de gebruikelijke Iraanse dessins, dit wil zeggen een centraal medaillon dat uit meerdere concentrische medaillons bestaat, waarvan het middelste de vorm van een sterrenkruis heeft.

De florale tapijten,  afshan  of harshang geheten, bevatten geen medaillons. De compositie is opgemaakt uit ranken van arabesken die met elkaar verweven zijn en worden opgesmukt door complexe en lotusbloemen.

Esfahanian is en blijft één van de beste hedendaagse meesters. Hij signeert al zijn werken en nummert ze soms zelfs.

Het Sarough(Sarouk)-dessin, dat bestaat uit bloemtakken op een baksteenrode ondergrond, wordt ook vaak benut.

Er zijn vier hoofdkleuren : rood, lichtblauw voor de ondergrond, room en oranjegeel. Deze kleuren gelden als zacht en glanzend.

 

Tot na de eerste wereldoorlog werden de tapijten van Kashan erg kort geschoren. Daarna en op vraag van de westerse markten, bleef de pool hoger, vast om de speciale wasbeurten te ondergaan die het tapijt ouder maken. Maar voor een betere kwaliteit is korter scheren nodig.

In Kashan is de tapijtnijverheid vooral een zaak van de hele familie, zeg maar de vrouwen. In elk huis zijn er minstens één of twee getouwen te vinden.

De knoopdichtheid gaat van 160.000 tot 1.100.000 knopen per vierkante meter en de fijnste tapijten worden geknoopt met zijde of kork-wol (lamswol).

Ketting en inslag zijn meestal van katoen, maar kunnen voor de fijnste stukken ook van zijde zijn.

 

Mochtaschem, dichter der tapijten

Op het einde van de 19de eeuw  leefde er in Kashan een groot dichter die bekend stond om zijn rouwgezangen, Mollah Hossein Mohtashemi. Zijn echtgenote was afkomstig van Arak en een meester in de tapijtkunst. Samen zetten ze een atelier op in Kashan en vervingen wol door zijde.

Het eerste volledig zijden tapijt dat hun atelier vervaardigde, was een geschenk voor sjah Naser Aldin. Het tweede tapijt dat volledig in zijde werd vervaardigd, werd geschonken aan de eerste minister van de sjah.

De prinsen en edelen aan het hof van de sjah zagen al deze geschenken en wilden op hun beurt een zijden tapijt. Het bedje van Mohtashem was gespreid.

Nu hij naam had gemaakt, omringde hij zich met vennoten en wierf in zijn eigen familie de nodige mankracht om van zijn onderneming een succes te maken. Zijn eerste grote bestellingen waren tapijten van kleine afmetingen : bidkleden, matten en puschti (of pushti= rug, voor kussens om tegen te leunen) die in de bazaar van Istanbul werden verkocht.

De Europese markten hadden oog voor de rijke dessins en kleuren en de bestellingen lieten niet op zich wachten. Tegelijk nam ook de vraag naar grotere afmetingen toe.

Om de verkoop nog op te voeren, vervaardigde de ‘firma’ volledig wollen tapijten, die makkelijker te maken en lager geprijsd waren. Daarvoor gebruikte Mohtashem voor het eerst wol van een in Iran ongekende zachtheid, de wol uit Manchester.

Dankzij al die vernieuwingen en zeker ook zijn neus voor zaken, werd Mohtashem één van de grootste bedrijfsleiders in de tapijtbusiness en zijn naam blijft voor eeuwig en altijd verbonden aan de tapijten van Kashan.

De opstandige provincie Khorasan (Chorasan)

Herat : hoofdstad van Khorasan

 

Herat, nu een Afghaanse stad, maakte indertijd deel uit van Khorasan. Toen de sultans die er regeerden, de stad tot hoofdstad omdoopten, beleefde de kunst, ook van de tapijten, er gouden tijden. De tapijten uit die periode kregen vanzelfsprekend de naam Herat en het herati-dessin is ook vandaag nog te vinden op de tapijten van de steden en dorpen van Khorasan en andere Iraanse regio’s. De belangrijkste tapijtcentra van Khorasan zijn : de steden Mashad, Birdjan, Ghaen, Dorokhsh, Moud, Sabzevar, Torbat-e-Heydariyeh, Tabas en de Turkmeense en Baluchi-stammen.

 

 

Stijl en inspiratiebron

Het motief dat op het einde van de 12de en de 13de eeuw werd gebruikt, bestaat uit een groot centraal medaillon op een neutrale ondergrond. Een smalle boord brengt evenwicht in de compositie. Na de dertiende eeuw kwam er meer verscheidenheid in de motieven, onder meer door de introductie van eenvormige sierelementen die telkens herhaald werden en het fond helemaal bedekten. Met het oog op het evenwicht in de compositie en om de eentonigheid te breken, wordt de boord breder gemaakt en getooid met herati-bloemmotieven of bloemtakken die geënt zijn op de Kashmir-dessins. De meest gebruikte kleur voor de ondergrond is rood tot koffie, en de kleuren zijn veelal op basis van plantaardige bestanddelen. Het centraal medaillon is rond of ruitvormig, naar gelang van de afmeting van het tapijt. Deze tapijten zijn soms omrand door kalligrafische teksten, uit gedichten van de grootste Iraanse dichters zoals Hafez.

De thema’s die in Khorasan het meest aan bod komen, zijn dierengevechten en jachttaferelen, – de favoriete bezigheid van de vorsten -, met gazellen, wolven, vossen, leeuwen, luipaarden, geiten en vogels.

De wol is zacht en glanzend en de pool is middelhoog, maar als de wol in de herfst wordt afgeschoren, is het dons korter.

Pelgrimstocht naar Mashad (Meched), de heilige stad

 

De op één na grootste stad van Iran, Mashad, is gelegen in het noordwesten van het land. Het is één van de belangrijkste heilige steden van de sjiieten, want het mausoleum van Imam Reza trekt talloze pelgrims uit de hele wereld aan. Mashad huisvest ook het graf van de dichter Ferdowsi die er 900 jaar geleden woonde.

Khorasan werd met zijn uitgestrekte graasland en door de gunstige omstandigheden een belangrijk centrum voor de schapenteelt. De ambachtswerkers van Mashad deden uiteraard hun voordeel met deze wol van zeer goede kwaliteit en hun tapijten maakten naam op wereldschaal.

 

Stijl en inspiratiebron

Ook de kleuren van de “Mashad”-tapijten bouwden een goede reputatie op, omdat ze slijtvast zijn. De hoofdkleuren voor het fond zijn donkerrood en donkerblauw.  

Groen, geel, oranje en wit komen minder voor. 

De vrij fijne kettingdraden bestaan uit mechanisch gesponnen blauw katoen. De dikkere en grovere draden worden met de hand gesponnen.

De pool van het tapijt wordt vrij hoog gelaten zodat het zijdezacht is om aan te raken. In de streek van Khorasan worden geen geometrische dessins gebruikt, behalve dan door de Turkmenen en de Baluchi. Hier is vooral het centraal medaillon terug te vinden, met daarnaast het afshan-motief, of een eenvoudig fond zonder medaillon, bestrooid met een heel rasterwerk van verstrengelde ranken van arabesken met bloemen. De ondergrond is meestal lichtgrijs, soms roomkleurig.

Mashad vandaag

 

Er werken nog enkele originele ambachtslui die zeer fijne zijden of wollen stukken van hoge waarde vervaardigen. Maar de meeste nemen gewoon de motieven van de andere streken over. 

De meest nagemaakte tapijten zijn de “Naïns”, vooral in de steden en dorpen rond Mashad, in Kashmar – Tabas – Neyshabur.

Door hun motief en het gebruik van zijde (wel vaak kunstzijde) kunnen deze tapijten voor een echte “Naïn” doorgaan, maar de kwaliteit van het werk en van de wol is over het algemeen middelmatig.

Een speciale vermelding verdienen echter de Tabas Naïns, die soms amper van een echte Naïn te onderscheiden zijn.

Grootmeesters

In het begin van de negentiende eeuw zetten de Europese markten de deur open voor de Perzische tapijten en de bestellingen stromen binnen. Om deze nieuwe markten te voldoen, kwam een handvol handelaars uit Tabriz op het idee om talrijke ateliers op te richten in de steden Mashad, Kirman, Arak en Kashan. Daarom wordt er vandaag bijna even vaak de Turkse als de Perzische knoop toegepast.

Hoewel deze ateliers een zelfde structuur en een gemeenschappelijke cultuur hebben, verschillen de stijlen en kleuren van streek tot streek, zodat de oorsprong van het tapijt beter te bepalen is.

Al deze ateliers wedijveren met elkaar en trachten hun rivalen te overtreffen. Deze strijd stimuleerde de productie en leverde grote meesters op, zoals Maxmal Baf, Fekour, Qazi Khan, Saber, Amoughli, Djalilian Vareste, Sheikh Pourangi

Amoughli, de Iraanse Rubens

 

Zijn ouders waren afkomstig van Azerbeidzjan, maar vestigden zich na een pelgrimstocht als wevers in Mashad. Ze traden in de voetsporen van de Tabrizi en zetten tal van ateliers op in Mashad en omgeving en omringden zich met gezellen die zelf ook meester in hun vak waren. 

Amoughli specialiseerde zich in zeer fijne tapijten (2 tot 4 miljoen knopen per vierkante meter) van grote afmetingen (in een paleis van de sjah is een tapijt van 100 op 150 m2 te zien). Hij hechtte veel belang aan de kleurstelling en maakte enkel gebruik van plantaardige en organische kleurstoffen.

Hij stond erg hoog aangeschreven in Iran en werkte vooral voor het mausoleum van Imam Reza, de paleizen van de sjah, ambassades, enz.

Na zijn dood in 1938 raakte de productie van Mashad beetje bij beetje in verval en haalde nooit meer de luister van voordien.

Ik had de kans om bij een handelaar in Teheran een prachtig tapijt van Amoughli te zien, het was amper 6 vierkante meter groot. De handelaar had het gekocht voor 120.000 € en vroeg er 250.000 € voor.

Een week later ging ik weer bij mijn handelaar langs en vernam dat het tapijt aan een andere handelaar was verkocht voor 210.000 €.

De finesse van Birdjan (Birdzjan)

 

Birdjan is een zeer oud tapijtcentrum en onderscheidt zich van de “Mashad” door zijn originele dessins : een ander medaillon, een zeer fijn mahi-motief, het boteh-motief.

Hoewel de meeste tapijten met de jufti-knoop (dubbele Perzische knoop) geknoopt zijn, gaat het tapijt lang mee en is het erg fijn door de fijne en strakke ketting. Maar soms is een  “Birdjan” van slechte kwaliteit, met wol die in de herfst wordt afgeschoren en die minder sterk is dan lentewol. In dat geval zal het tapijt snel versleten zijn.

De kleuren van de “Birdjan” zijn van dezelfde kwaliteit als de “Mashad”.

De tinten zijn identiek, met soms veel meer donkerblauw en roomkleur voor de ondergrond en voor de siermotieven oranjeachtig naast gems en lichtrood.

Dorokhsh : de witte raaf

 

Dorokhsh ligt op zowat zestig kilometer van Birdjan. De stad heeft in de tapijtkunst een lange geschiedenis achter zich. Uit deze streek komen immers de mooiste stukken van Khorasan. Eigen aan de tapijten van Dorokhsh zijn een grotere knoopdichtheid, maar ook een vrij groot medaillonmotief of een dessin dat bestaat uit lijnen die parallel lopen, met een eenvoudig motief dat zich herhaalt in al zijn pracht en beklemtoond wordt door rozig rood of gems-rood. De spar en de boteh zijn hier de meest voorkomende motieven.

Helaas wordt er momenteel omzeggens niet meer geproduceerd. De gouden tijd van deze tapijten leeft alleen nog voort, onder strenge bewaking dan wel, in musea, grote privé-collecties of op de antiekmarkt.

Moud : een interessante afwisseling

 

De Moud-tapijten vormen zeer zeker de meest typische productie van Khorasan. Ze zijn zeer fijn uitgevoerd in een Perzische knoop met een dichtheid van 360.000 tot 700.000 knopen per m2 en een traditioneel dessin zoals van de Mashad-tapijten. Het motief zonder medaillon is zeer gebruikelijk. Over de hele oppervlakte van de ondergrond van het tapijt loopt een terugkerend bloemmotief, omringd door bladeren, naar het voorbeeld van de  oude tapijten van Herat.

De pool wordt vrij kort geschoren en is zodoende lichter dan de “Mashad” omdat er minder wol is. De gebruikte wol is erg zacht en van goede kwaliteit. Hoofdkleuren zijn donkerrood, donkerbruin, lichtblauw en donkerblauw. De inslagdraad is van fijn gesponnen blauw katoen.

Le poil est rasé relativement court, et de ce fait plus léger que les “Machad” puisqu’il  y a moins de laine. La laine employée est très douce et de bonne qualité. Les couleurs principales sont, le rouge foncé, le brun foncé, le bleu clair et foncé. Le fil de trame est en coton bleu filé finement.

Kashmar : voor elk wat wils

 

Kashmar  produceert op grote schaal tapijten van het lager marktsegment. De ambachtswerkers doen niet veel meer dan de productie van de andere regio’s namaken, zoals van Mashad of Naïn, maar dan wel in een lagere kwaliteit om goedkoper te kunnen verkopen. Ze gebruiken daarvoor grovere wol en de dubbele knoop die minder wol verbruikt. De gemiddelde dichtheid is ongeveer 90.000 knopen per vierkante meter. De woldraad is brozer en het tapijt wordt met een vrij lange pool geschoren (kort scheren kan enkel als de wol van goede kwaliteit is).

Momenteel vervaardigen bepaalde ambachtswerkers tapijten met een dichtheid van 360.000 tot 500.000 knopen, in een betere wolkwaliteit, maar de motieven zijn nog steeds nabootsingen van andere regio’s.

Sommige regio’s produceren enkel kleden en tapijten in kleine afmetingen, maar de ambachtswerkers van Kashmar produceren tapijten in alle mogelijke maten.

Baluchi-tapijten : dankzeggingen

De motieven van de baluchi-tapijten werden beïnvloed door de motieven van de aanpalende regio’s Turkmenië en Kaukasus.

Alle motieven – bomen, takken en dieren – zijn in een geometrische vorm gestileerd door het gebruik van verticale, horizontale, diagonale en gebroken lijnen. 

Het hele tapijt, boord inbegrepen, vormt één groot geometrisch geheel.

De meest gebruikte motieven zijn de gul, overgenomen van de Turkmenen, het typisch Iraanse boteh-motief, de bomen met dierenkop en de S-en die in de randen terugkomen.

De rand van de bidkleden, de zogenoemde “Mihrab” (gebedsboog),  maakt integrerend deel uit van de vorm van de nis.

In het bovenste gedeelte van de bidkleden zijn, in een abstracte vormgeving, aan weerskanten van de gebedsboog handen aangebracht, die aangeven waar de gelovige zijn handen moet plaatsen zoals het ritueel voorschrijft.

De kleuren zijn overwegend donker. De voorkeur gaat naar rood en donkerblauw en om het dessin te benadrukken, zijn de trekken meestal zwart.

Turkmeense tapijten : de 3 horizonten

 

Tekkeh – Yomut (Yomoud) – Guklan

 

Tekkeh, Yomut, Guklan, zijn de drie grote Turkmeense clans die ten zuidoosten van de Kaspische zee woonden. Onder die clans waren drie stammen vermaard voor de vervaardiging van tapijten : Atabai, Jafarbai en Tekkeh.

De Atabai en Jafarbai behoorden tot de Yomut-clan en de Tekkeh waren afstammelingen van de Turkmenen die aan de andere kant van de Kaspische zee woonden.

De vervaardiging van tapijten in de stammen gaat ver terug in de tijd en was het werk van de vrouwen die een makkelijk uit elkaar te halen en dus horizontaal getouw gebruikten. 

De wol kwam recht van hun eigen kuddes en het verven gebeurde ook door vrouwenhanden.

 

Stijl en inspiratiebron

Voor hun patronen en motieven maken de Turkmenen gebruik van symbolen die ze uit de omgevende natuurelementen halen.

De altijd geometrische dessins werden uit het hoofd gereproduceerd, zonder calque of model.

De motieven van hun tapijten hadden zowel een spirituele als een materiële betekenis en hielden rechtstreeks verband met hun omgeving of hun zwerfbestaan.

Er zijn allerhande symbolen : de speerpunt staat voor de strijdkracht van de stam, de bikkels zijn het favoriete speelgoed van de Turkmeense kinderen, terwijl de sterren de bedoeïenen de weg tonen in de nacht en de kam symbool staat voor de opmaak van de dames. 

Dierenmotieven zijn vooral : de zwaan, het paard, de vogelbek, de ram, de gele schorpioen die de boze geesten zou afweren.

Gul –Göl- Tamgha

 

In het repertorium van de geometrische motieven die regelmatig over het veld geschikt worden, gaat de hoofdrol naar de gul of gol (bloem in het Perzisch) en de tamgha, het Turkmeense brandmerk om het vee te tekenen. 

De gul nam een dergelijke belangrijke plaats in dat het motief terug te vinden is in honderden verschillende versies waarvan het beroemdste natuurlijk de gul tekke is, die vaak wordt verward met de Bukhara. De gul behoort tot de zeldzame motieven die in de loop der eeuwen niet echt veranderden, met uitzondering van sommige motieven die werden aangepast door de aansluiting van een stam die door een andere op het slag verslagen werd.

 

Stijl en genres

De weefsters van de overwonnen stam werden verplicht om tapijten te knopen met nieuwe tamgha’s, naar de totem van de zegevierende stam. Deze daad van onderwerping was de officiële erkenning van de overmacht van de winnaar.

Zowel de Perzische als de Turkse knoop werden toegepast.

Bij de Turkse knoop trekken ze een inslagdraad om de twee knopenrijen door, en bij een Perzische knoop trekken ze een inslagdraad door na elke rij knopen. Er zijn twee soorten Turkmeense tapijten die bij twee verschillende tijdperken horen. Een eerste stemt overeen met de nomadische levenswijze en de tweede met het einde van dit bestaan en een meer sedentair leven. In de eerste periode zijn ketting, inslag en pool van wol, soms is de pool van kameelhaar, en de tapijten waren enkel bestemd voor persoonlijk gebruik in de familie of de stam.

Deze tapijten en kelims dienden :

  • als vloerkleden om de tent te versieren;
  • als asmalik om de flanken van de kamelen aan het hoofd van de bruidsstoet af te dekken; 
  • als gordijnen aan de ingang van de joert;
  • als tas voor de kleding, het zout, het brood.

Elk jong meisje moest twee zeer fijne tapijten weven die bij haar bruidsschat hoorden.

In de tweede periode, na 1930, worden ketting en inslag soms van katoen en zijn de motieven minder divers.

Vandaag zijn er erg goedkope Turkmeense tapijten te vinden, die in ateliers worden geproduceerd met wol van dode dieren.

Tapijten van Koerdistan : de meest vertrouwde

 

Koerdistan is hoofdzakelijk een bergstreek waar het leven hard is. De belangrijkste steden zijn eerst en vooral Sanandaj waar de wereldberoemde Senneh en Bidjar, die ook het Belgisch publiek goed kent, worden gemaakt. De bevolking is van Koerdische afkomst.

De beroemde tapijten en kelims van Senneh

 

De productie van Senneh vertoont veel gelijkenissen met de tapijten van Bidjar of van de andere nomadenstreken en geniet veel erkenning voor de kwaliteit en de stevigheid. Maar de knoping is fijner en de dessins zijn geraffineerder. 

De faam van Senneh is toe te schrijven aan de kwaliteit van de oude tapijten die werden gefabriceerd in opdracht van de handelaars en naar de smaak van de klanten. De katoenen in de plaats van de wollen inslagdraad, het korter scheren voor een meer uitgesproken dessin (dus wol van zeer goede kwaliteit) en een dichtheid van 420.000 tot 750.000 knopen per vierkante meter zijn de hoofdkenmerken van de Senneh-tapijten.

De kelims van Senneh zijn al even vermaard als de geknoopte tapijten van deze streek.

 

Stijl en inspiratiebron

Gezien de herkomst van de Koerdische bevolking, lijkt de Turkse knoop het meest voor de hand te liggen. Maar de meeste tapijten zijn integendeel met Perzische knopen geknoopt, vandaar de naam Sennehbaf (geknoopt met de Perzische knoop).

Buiten de bidkleden met de mihrab, met de levensboom en daarrond bontgekleurde vogels, zijn de meeste motieven geometrisch. 

Het hoofdmotief is het zeshoekig medaillon dat bijna het hele veld van het tapijt bedekt. In deze zeshoek staat nog een kleinere zeshoek die in elke hoek uitloopt in een speerpunt of een scheepsanker. De hoofdkleuren zijn roomwit, donkerrood en donkerblauw. De ondergrond van het tapijt is volledig getooid met het herati- of het mahi-motief (vis). Ook de rand is vaak getooid met het herati-motief. Sommige, zeer zeldzame, tapijten kregen het boteh-motief. Al deze botehs zijn met elkaar verbonden door een wijnrank.

De kwaliteit van de huidige Senneh ligt een stuk lager. Het aantal knopen slonk met 200.000 knopen per vierkante meter. Bovendien worden nog enkel chemische kleurstoffen gebruikt en zijn de dessins altijd dezelfde. Kortom, een gebrek aan artistieke en artisanale kwaliteit.

 

Bidjar : het Belgisch tapijt

 

Bidjar is zonder enige twijfel het in Europa bekendste tapijtcentrum. Omstreeks het midden van de twintigste eeuw sierde een dergelijk tapijt bijna alle Belgische interieurs.

Bidjar is gelegen in één van de vruchtbaarste streken van Iran en de ambachtswerkers trokken dan ook partij van de kwaliteit van de wol, die het tapijt lang doet meegaan.

Er worden niet alleen tapijten geproduceerd in de stad Bidjar zelf, maar ook in de dorpen rondom. De gelijkenis met de productie van de Senneh valt meteen op. Een dichte knoping en de ruwe wol staan borg voor een lange levensduur. Deze duurzaamheid is ook te danken aan het gebruik van een dubbele inslag, in tegenstelling tot in Senneh waar een enkele inslag wordt toegepast. Voor de oude Bidjar werd enkel de Turkse knoop gebruikt, maar in de huidige productie is de Perzische knoop gangbaar. 

 

Stijl en inspiratiebron

De meest voorkomende dessins zijn het mahi-motief en ook het Sjah Abbas dessin, maar vooral het herati-motief en de lotusbloem, evenals geometrische dessins. De kleuren zijn over het algemeen donker, hoewel ook lichte kleuren voorkomen.

De dessins van de Bidjar lijken sterk op de Senneh-tekeningen, ofwel een ruitvormig medaillon in het midden van het veld, in donkerblauw, rood en kameelhaarkleur. De rand is donkerrood, groen, geel of blauw. Wat niet wil zeggen dat alle andere kleuren uitgesloten zijn.

 

De stammen van Koerdistan

 

Deze stammen bestaan uit kleine families die in de steden en dorpen van Koerdistan wonen. De meeste doen aan landbouw of veeteelt en een deel leeft als halve nomaden. Sommigen hebben niet voldoende inkomen omdat hun veestapel te klein is of omdat ze in de winter niets om handen hebben. De vervaardiging van tapijten is dan een welgekomen bijkomende bron van inkomsten.

Deze seizoensambachtswerkers produceren grovere tapijten met koffie- of kastanjebruine wol, soms in kameelwol. Deze tapijten heten dan dorpse Bidjars en ogen primitiever.

Kirman (Kerman), de mooie vruchten van de woestijn

 

De stad Kirman ligt in de “Kavir-e-Lout “ woestijn, in het zuiden van Iran. Het is één van de minst bedeelde steden van het Iraanse plateau.

Het gebrek aan water en de dorre woestijngrond verklaren dat de meeste inwoners op zoek gingen naar ander werk dan de veeteelt of de grondbewerking. Ze richtten zich als vanzelf naar meer artistieke beroepen en onder meer de vervaardiging van tapijten.

 

 

 

Een rijke evolutie

Sinds vroegere tijden al stond Kirman bekend om zijn vervaardiging van sjaals met goud- en zilverdraad. In de dertiende eeuw beschrijft Marco Polo Kirman als volgt : « De vrouwen en jonge meisjes werken met de naald, borduren zijde en goud. Ze gebruiken tal van kleuren en motieven, vogels, dieren en ook allerlei siermotieven die ze met veel smaak uitvoeren. Dit borduurwerk dient als gordijn, bedsprei of kussen in de rijke families; deze werken die met zoveel smaak en vaardigheid worden vervaardigd, kunnen alleen maar onze bewondering oogsten. »

Hoewel er in die tijd nog geen vermelding is van tapijten, kan verondersteld worden dat er naast de vervaardiging van stoffen ook een kleine tapijtproductie was.

Met de tijd en door de mechanisering ontwikkelde de tapijtproductie zich, om in de negentiende eeuw het borduurwerk helemaal te vervangen. De ontwikkeling van de tapijten in deze streek is ook hier toe te schrijven aan de handelaars van Tabriz die het hoofd niet konden bieden aan de vraag op de Europese en de Amerikaanse markten en ateliers oprichtten in de steden  Kashan, Mashad, Heriz. Ze werden al snel gevolgd door de Engelse en Amerikaanse handelaars die hun eigen ateliers stichtten.

 

Palet en eigenheden

De streek van Kirman produceert een zeer goede kwaliteit wol, die volledig wordt verkocht aan de handelaars van Isfahan. Zodoende zijn de ambachtswerkers van Kirman verplicht om wol van Mashad, Sabzevar, Kermanshah, Tabriz en zelfs Afghanistan te kopen.

De wol van al deze streken wordt natuurlijk gemengd, wat een eindproduct oplevert dat niet altijd van goede kwaliteit is, wat duurzaamheid en finesse betreft.

Zoals in veel andere streken zijn schering en inslag van katoen.

Hoewel de inslag van het tapijt uit één of meer inslagdraden bestaat, zijn voor de moderne Kirmans 3 inslagdraden gebruikelijk. Een dunne, meestal blauwe inslag, die aan de keerzijde van het tapijt te zien is en twee “onzichtbare” dikkere inslagen.

In de steden wordt de Perzische knoop gebruikt en in de dorpen wordt even vaak de Perzische als de Turkse knoop gebruikt.

De voorbije vijftig jaar gebruikten veel ambachtswerkers de jufti-knoop. Apart aan deze knoop is dat de draad om drie en niet om vier scheringdraden heen wordt geslagen. Met een dergelijke knoop is minder wol nodig en is het tapijt ook sneller af. Een voorbeeld : als een ambachtswerker in één dag 20 rijen knopen kan afwerken, kan hij met de jufti-knoop tot 40 of zelfs 45 rijen halen.

De ververs van Kirman genieten wereldfaam. Het kleurenpalet omvat een dertigtal kleuren, meestal op basis van natuurlijke stoffen. 

Een greep : purperrood en roze, op basis van schildluis, en verder meekrap, notenbeits, schil van granaatappel, henna, het vijgenblad.

 

Drie grote periodes

De productie van Kirman is erg oud en dus is het normaal dat de stijl in de loop der jaren grondig evolueerde.

Daarom kunnen we de evolutie van de Kirman-tapijten in drie grote periodes opdelen.

Een eerste periode loopt van de negentiende eeuw tot na de eerste wereldoorlog, de zogenoemde oude periode.

Een tweede periode ligt tussen de twee wereldoorlogen en kan de periode van de terugkeer worden genoemd, omdat de kunstenaars teruggrepen naar de motieven van de Safawidische tijd.

En de derde periode startte na de tweede wereldoorlog en loopt nog steeds, de moderne periode dus.

 

1.Oude periode

 

Net als in andere regio’s van Iran, bestaat de siercompositie in die tijd ook meestal uit het min of meer ovalen, veellobbig of ruitvormig medaillon dat het midden overheerst, met vier opvallende hoekstukken. 

Ook de figuratieve stijl is in de mode, met onder meer taferelen uit zowel de Iraanse als de Europese geschiedenis. Een groot aantal tapijten is getooid met een compositie van weelderige planten, samen met dieren die jagen of drinken. In dergelijke tapijten is de  “levensboom“ een motief dat in alle mogelijke combinaties wordt benut.

Het “Zil-i-Sultan“ en ook het “boteh“—motief uit die tijd zijn van een tot nu toe ongeëvenaarde kwaliteit.

Het zijn tapijten uit deze periode die de meeste musea sieren.

 

2.Periode van de terugkeer naar de Safawiden

Tijdens deze periode putten de kunstenaars hun inspiratie uit de motieven van de Safawidische tijd, met onder meer het Sjah Abbas of het Ghab Ghorani motief, wat in het Perzisch «Koran boekband» betekent, en natuurlijk het beroemd centraal medaillon. Op het einde van deze periode verschijnen grote hoeveelheden meer uitgewerkte motieven met taferelen die zich in lentetuinen afspelen, en een overdaad aan groen en dieren.

 

3.Moderne periode

 

Na een aantal economische crisissen, gaan de werkloze ambachtswerkers op zoek naar wat in het Westen kon aanslaan. Ze leggen zich toe op een productie die in de smaak valt van Amerikanen en Europeanen. Het is de tijd van de namaak van de tapijten van Aubusson en de Savonnerie.

Deze buitenlandse invloed zal de versiering van de boord een heel andere richting doen uitgaan. De lijsten zijn niet meer recht en regelmatig en vaak loopt het motief van de boord door in het veld. Met andere woorden, het veld wordt niet meer afgebakend door de rand, maar wel door de zomen van het tapijt.

In deze tijd blijft de productie aanknopen bij de stijl van de weelderige plantengroei met dieren en motieven die duidelijk de mosterd haalden bij Aubusson en de Savonnerie. Bepaalde manufacturen waagden zich schuchter aan een moderne productie, op bestelling van grote internationale firma’s.

 

De pracht van Kirman Laver (Kirman Raver)

 

Deze prachtige tapijten hebben veel gemeen met de Kirman-tapijten, maar ze zijn vervaardigd in een zeer mooie wolkwaliteit en veel fijner. Ze worden uitgevoerd door de ambachtswerkers van het dorp Raver, op 140 km ten noorden van Kirman. Het achtervoegsel Laver is een vervorming van Raver.

 

Het hart van Centraal-Perzië 

 

 

Arak ( Sultanabab) : Ziegler en C°

 

Arak was altijd al een belangrijk tapijtcentrum en de handelaars van Tabriz gaven het in 1878 een nieuwe impuls met de oprichting van talloze ateliers om de behoeften van de westerse markten in te vullen. In 1886 vestigde er zich een beroemde Engelse firma uit Manchester, onder de naam Ziegler and C°, om tapijten te produceren naar de smaak van de Amerikanen en Europeanen.

Deze productie werd verkocht onder de benaming Ziegler-tapijten. Dit bedrijf was echter niet bestand tegen de economische crisis en sloot de deuren in 1929, maar blijft onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van het Perzisch tapijt.

Nadien ruilden de handelaars de bazaar van Arak in voor de bazaars van Teheran en Goum. Zodoende verdween de tapijtproductie beetje bij beetje.

Vandaag worden er in de streek van Arak nog enkel tapijten geproduceerd in de steden  Sarough, Farahan, Mahall en Saraband.

 

Het wondermooie Sarough (Sarouk)

 

Volgens kenners worden de beste tapijten uit de streek gemaakt in Sarough. Bovendien namen de Sarough een hoge vlucht met een productie die voor de Amerikaanse markt bestemd was en bekend werd onder de naam Amerikaanse Sarough. De productie van deze tapijten kende haar hoogtepunt rond de jaren twintig.

Deze tapijten zijn erg in trek bij liefhebbers die van kleur houden, het baksteenrood of zeer warm en glanzend rozig rood, dat deze tapijten mettertijd kregen.

De meest voorkomende maten voor deze tapijten zijn 100 cm x 150 cm, 350 cm x 250 cm of 400 cm x 300 cm. Andere afmetingen komen minder vaak voor.

Mahall – Meshkabab : getaande notoriteit

 

Meshkabab was indertijd de markt van de Farahans die een zeer goede reputatie hebben.

Na de vernieling van de stad Meshkabab werd een nieuwe stad gebouwd onder de naam Sultanabab, die geleidelijk de Farahan-markt weer veroverde maar in deze tijd niet veel meer voorstelt. 

 

 

De motieven van de oude Meshkabab zijn meestal diverse florale dessins met grote bloemen. Om er enkele te noemen : Gol Hana  (gestileerde bloem uit henna) en Mina Khani, even grote bloemen op een donkerkleurige ondergrond.

De overheersende kleuren zijn blauw en donkergroen. Voor de rand valt de keuze meestal op koffie, rood, lichtblauw, groen en geel. Het dessin van deze rand is vaak een afwisseling van bloemen en het schildpadmotief.

 

De Mahall-tapijten hebben zowat dezelfde eigenschappen als de Farahan. Ze genoten allebei een fraaie notoriteit vóór de jaren twintig, maar vervielen daarna in een grovere ornamentatie en makelij.

 

Saraband

 

De tapijten van Saraband staan bekend onder de naam Sarough Mir en worden vervaardigd met een zelfde kwaliteit als de Sarough. Het verschil tussen beide is het Boteh Miri motief, of een effen fond met een honderdtal botehs van zeer kleine afmetingen, tussen 5 en 10 cm.

 

Lilian : Armeense gloed

 

De Lilians worden geknoopt in dorpen waar Armeniërs wonen. Ze vertonen veel gelijkenissen met de Hamadans. Ze kenmerken zich vooral door de mooie en oplichtende kleuren, hoofdzakelijk baksteenrood, de garantie van een goede wolkwaliteit.

Het dessin van het veld is een grote gestileerde bloem met vier takken, waaruit bloemslingers ontspruiten die boven en onder een grote gestileerde bloem door gaan.

De rand is getooid met dezelfde bloemmotieven als het veld.

De Lilians worden meestal uitgevoerd in kleine afmetingen.

Goum (Qum-Koum) : de allerheiligste stad

 

Deze heilige stad is een pelgrimsoord sinds het schisma in de islam, en ligt 150 km ten zuiden van Teheran. Ze huisvest het mausoleum van Fatima, de zuster van Imam Reza.

De productie van Goum-tapijten is vrij recent, en dateert uit de dertiger jaren. Dit gebrek aan traditie verklaart dat de kunstenaars zich inspireerden op de dessins van de andere regio’s. Het « boteh »-motief, dat op Mir geïnspireerd is, de jachtmotieven met Tabriz en Isfahan als inspiratiebron, de bloemmotieven die ontleend zijn aan Isfahan en het centraal medaillon van Kashan… De motieven op basis van het vierkant, zoals de Bakhtiari-tapijten.

Al snel stonden de ambachtwerkers van Goum aan de top door de perfectie van hun techniek en hun tapijten werden zelfs de meest vermaarde van Iran.

Inslag en ketting zijn van katoen, en ook van zijde. De pool is van wol en zijde. 

Er zijn ook veel volledig zijden stukken. 

Een Perzische knoop met dichtheden van meer dan een miljoen knopen per vierkante meter. Chemische kleurstoffen voor de zijde zijn algemeen ingeburgerd, maar een hedendaagse kunstenaar, Noury, onderscheidt zich van de andere omdat hij voor zijn zijden tapijten plantaardige kleurstoffen gebruikt. Het resultaat is overweldigend van kleurzetting en zijn creaties halen regelmatig dichtheden van 1 400 000 knopen per vierkante meter.

De voorouderlijke regio van Shiraz

 

Qashqa’i : diermotieven

 

De roodgetinte inslag en de ivoorkleurige ketting doen een qashqa’i oorsprong vermoeden.

Hoofdmotief : de leeuw, een erfenis van de Lurs.

Daarnaast is er de boom met dierenkop en de pauw, die ook opduikt bij de Lurs en de Khamseh confederatie.

Nog een ander motief is het tweekoppige dier dat te vinden is in de nomadische en dorpse volkskunst en deze vorm overnam die dateert van het eerste millennium vóór Christus.

De Gabbeh stijl

 

De term gabbeh slaat eerder op een stijl van tapijten dan op een stam. Een decreet van Sjah Tahmasp uit de zestiende eeuw is de eerste bekende verwijzing naar de gabbehs.

De gabbeh-tapijten zouden van Lur oorsprong zijn en gediend hebben als inspiratiebron voor de Qashqa’i weefsters. Aanvankelijk dekten de weefsters enkel de behoeften van hun eigen gezin of van de stam, maar tegen de zeventiger jaren, toen de gabbehs  ontdekt werden, werkten ze alleen nog voor de externe markt en vandaag voor grote internationale groepen die hen zelf de dessins overmaken. Uiteraard hebben deze tekeningen en motieven niets meer van zien met de traditionele motieven, ook al hernemen ze soms één of ander personage of gestileerd dier.

Shahsavan

 

De naam Shahsavan is nu van toepassing op een groep stammen die Turks spreken en voornamelijk in het noordwesten van Iran leven. In het Turks betekent Shahsavan «  Zij die van de sjah houden », omdat ze de trouwe dienaars waren van de Safawide-dynastie.

Pas vanaf de jaren zeventig wordt verwezen naar de tapijten en stoffen die door de Shahsavan werden geweven. Voordien waren die voorwerpen wereldwijd bekend, zelfs in Iran, onder de foute benaming « Kaukasisch », omdat ze bijzonder goed lijken op de Kaukasische tapijten zodanig zelfs dat ze zeer moeilijk te onderscheiden zijn, vooral de oude stukken. Dat is normaal, want tot begin de twintigste eeuw maakten de zuidelijke delen van de Kaukasus deel uit van het grondgebied van de Shahsavan, en de stammen trokken er regelmatig door.

De clans die de Shahsavan stam vormen, zijn bekend onder de naam van de streek waar ze wonen : de Shahsavans van Moghan, van Hashrud, van Mianeh, van Khamseh, van Bidjar, van Qazvin, van Saveh en Veramin. Er zijn ook Shasavans te vinden in de provincie Fars en onder de Bakhtiari-stammen.

Helemaal volgens de islamitische traditie die de artistieke voorstelling van levende wezens als zondig beschouwt, hanteerden de Shahsavan weefsters geometrische vormen en ook cijfers. Het basismotief is het vierkant dat verticaal, horizontaal of diagonaal opgedeeld is. Dat levert een witte en een zwarte eenheid op. De hele constructie beeldt het samenspel van positieve en negatieve waarden uit, die staan voor goed en kwaad, zwart en wit, warm en koud…

De belangrijkste motieven die deze assemblages vormen, zijn : de ster, de ontluikende bloemknop, de draak en dieren.